Dood is voor altijd. Rouw dus ook. En dat is oké.
28 april 2026
Zo’n tweeënhalf jaar geleden zit ik in de auto. Al langere tijd voel ik dat er vanbinnen iets vastzit, iets dat zich schuilhoudt en opkropt. Niet helemaal toevallig zet ik Sterrenlopen op van Wende Snijders. Muziek die me altijd openbreekt zonder dat ik daar zelf iets over te zeggen heb.
En ja hoor: daar komen de tranen. En nog meer tranen. En nog meer tranen. “Oud verlies rolt als een golfslag door ons heen,” zingt Wende in Lege stoelen. Snotterend realiseer ik me dat ik mijn moeder zo ongelooflijk mis, juist nu ik net een eigen bedrijf ben begonnen waarin ik mijn creatieve, sociale, sensitieve en spirituele kant aanspreek. Háár kant van mij.
Mijn moeder overleed bijna twintig jaar geleden. Sinds vorig jaar leef ik langer zonder haar dan met haar. Hoewel ze al jaren ziek was, kwam haar dood voor mij onverwacht. Drie jaar lang had ik het zwaar. Ik wist niet meer wie ik was, wat ik wilde, waarom ik leefde. Wat ik voelde, herkende ik niet in hoe mijn vader en broer rouwden. Ik voelde me alleen.
Ik kreeg hulp. Samen met een therapeut legde ik mijn vader uit dat ik vaak geen oplossing nodig had, maar een arm om me heen. Ik leerde met mijn broer praten over hoe het voor hem was. Ik ruimde — nu ik toch bezig was — ook wat onverwerkte pijn uit mijn kindertijd op.
Langzaam vond ik weer richting. Stap voor stap bouwde ik aan de persoon die ik geworden ben — en dat doe ik nog steeds. Ik vond de liefde, een huis en een hond.
Oftewel: het gaat al heel lang goed met me.
Pas veel later, echt veel later, leerde ik wat rouw is. Dat het geen proces is dat zich keurig binnen een afgebakend tijdspad in fases voltrekt. Ik leerde over de chaos van rouw, zoals rouwonderzoeker Janske van Eersel dat noemt.
Terugkijkend herken ik die chaos in de eerste drie jaar na het overlijden van mijn moeder. En ik herken haar nog steeds. Ze is nooit weggegaan. Ze steekt bij mij vaak de kop op in tijden van grote verandering: de liefde vinden, verhuizen, een eigen bedrijf beginnen.
En in piepkleine momenten: Een moeder en dochter die hand in hand een winkel uitlopen. Een golf van liefde voelen voor de kinderen van een vriendin, en dan ineens beseffen hoe jammer het is dat ik ze nooit aan mijn moeder kan voorstellen. Of op Moederdag ontdekken dat ik niets te doen heb, omdat ik me te laat realiseer welke dag het is — en iedereen al plannen heeft met haar of zijn moeder.
Ik heb weleens gelezen dat we rouw ongeveer drie maanden de tijd geven na een overlijden. En als het echt dichtbij is — een moeder, vader, kind, broer of zus — misschien een jaar. Daarna moet je je leven wel weer een beetje op orde hebben. Of anders in therapie. Of op zijn minst een rouwcoach zoeken.
Maar dood is voor altijd — mijn welgemeende excuses als ik je hiermee overval — en daarmee rouw ook. Iedereen rouwt op zijn eigen manier. Ik denk dat het mij ontzettend geholpen had als ik dat eerder had geweten. Dat ik me dan normaal had kunnen voelen, in plaats van zwaar op de hand, labiel of depressief.
Laatst schreef ik hierover op LinkedIn. Ik kreeg een reactie die mooi samenvat wat veel mensen in onze cultuur lijken te voelen: “Sterven is een natuurlijk proces dat bij het leven hoort. Rouw is verbonden aan verlies, maar niet bedoeld om lang in stand te houden; het leven gaat door en er moet geleefd worden. Mijn advies: onderga het rouwproces met het doel om daarna zonder schuldgevoel en met plezier in het leven verder te kunnen.”
Ja, sterven hoort bij het leven. En ja, mijn leven is doorgegaan. Ik leef het ten volle, met plezier en zonder schuldgevoel. Maar de rouw blijft. Het heeft geen doel of bedoeling. Het is er. Ik denk dat we er goed aan doen om daar ruimte voor te maken.
Zo kwam het dat ik bijna twintig jaar na het overlijden van mijn moeder ineens voelde dat ik behoefte had iets te doen of te maken mét haar, vóór haar. In de jaren direct na haar dood had ik weinig behoefte aan wat lotgenotencontact heet. Maar later merkte ik hoe prettig het is om met mensen te praten die ook een ouder verloren zijn. Ik herken in hun verhalen dingen die ik bij anderen niet zie. En ik voel die herkenning ook terug. Dat is fijn.
Zo ontstond Dodemoedersdag. Op die dag in het jaar waarop wij niets te doen hebben, terwijl veel mensen die hun moeder nog hebben juist samenkomen, lijkt het me mooi om elkaar te ontmoeten. Om ervaringen uit te wisselen. En om onze moeders in het zonnetje te zetten. En ben je zelf moeder? ’s Morgens alle tijd om je te laten verwennen voor jouw kinderen. ’s Middag is voor jou en jouw moeder. Voor mensen die pas hun moeder verloren zijn, maar ook voor diegene voor wie dat al tientallen jaren geleden is.
Rouw gaat nooit over. En wat mij betreft, hoeft dat ook helemaal niet. Rouw is er omdat er liefde is voor iemand die er niet meer is. In mijn leven krijgt het elke keer een andere vorm. Het hoort bij mijn leven, het hoort bij mij. Dat is oké.
Waarom Dodemoedersdag?
"Ik vind het wel een beetje heftig, die naam, zo met dood erin," hoorde ik een paar keer... Dat snap ik en ik heb heel bewust gekozen voor de naam Dodemoedersdag. Waarom?
Onze moeders zijn dood. Is dat hard? Misschien wel, maar het woord 'dood' maakt het niet harder. Het is. Ik vind het troostend om de werkelijkheid - doodgewoon - te benoemen zoals 'ie is. Ik denk dat het ons helpt als we niet hoeven te verzachten of vermijden.
In zijn toespraak tijdens m'n moeders uitvaart zei m'n vader dat mijn moeder nu over haar lijden heen is: overleden. Het woord dat we liever gebruiken dan dood. Ik vond het mooi en het klopt, vanuit haar perspectief. Vanuit mijn perspectief is ze dood. Ze is er niet meer.
Wat ons verbindt op Dodemoedersdag is dat onze moeders dood zijn. Dat is een feit en van daaruit delen we onze herinneringen en ervaringen, hoe we op haar lijken of juist niet, wat pijn doet, wat ons trots maakt, waar we om lachen en waar we om huilen, wat hard en zacht is.
Laten we er samen een zachte middag van maken.












